De driehoek
We gaan zwemmen. Ik ken de weg. Als we de deur van het restaurant uitstappen naar links, rechtdoor de tramsporen volgen tot aan de kerk. Daar rechtsaf, de dubbele laan naar beneden nemen en waar de laan naar rechts afdraait naar links, de laan oversteken en rechtdoor het kleine straatje in. Iets voorbij de snackbar aan de rechterkant komen we bij een groot plein met vlaggenstokken. Daar is het.
Ik loop in het midden, links mijn zus van zes, rechts die van vier. We houden elkaars hand stevig vast en zingen al huppelend een liedje dat ik verzon.
“Maman, papa, tu m’aimes oui ou non ?
Maman, papa, tu m’aimes oui ou non ?
Oh oui, oh oui. Oh wa, oh waaaha.”
We gaan de grote trap op. Ik betaal voor ons drie aan een mevrouw in een glazen hok bovenaan. Dan komen we in een gigantische ruimte met allemaal kleedhokjes. Omkleden is een gedoe met mijn zussen. Onze kleren moeten in een hanger met een bakje. Die moet in een ijzeren kast. Die kast moet op slot met een sleutel waaraan een rubberen ring hangt. Die ring moet rond onze pols. Dan lopen we zo snel mogelijk door het ijskoude voetbad.
Mijn zussen gaan naar het kinderzwembad. Ik niet. Ik ben al acht. Ik wil leren zwemmen. Ik ga naar het grote bad, ik kijk naar de zwemmers en doe ze na. Het lukt me niet ook maar te blijven drijven.
Dan ga ik naar het diepe deel van het grote bad. In de hoek met de metalen ladder, onder de hoge springplank, probeer ik van de ene kant naar de andere te zwemmen. Ik duw me af, peddel wat en kan nog net de ladder vastgrijpen voor ik helemaal kopje onder ga. Ik maak de driehoek telkens wat groter, en elke keer lukt het me nog net het ijzer vast te pakken. Af en toe zie ik mijn oudste zus in het ondiepe van het grote bad. Daar mag ze eigenlijk niet in.
Na een tijdje zie ik mijn beide zussen naast het zwembad zitten, hun lippen blauw, rillend van de kou. Ze hebben er allang genoeg van. In het teruggaan gaan we de snackbar binnen. Ze kennen ons daar. Ik betaal met het geld dat mijn moeder me meegaf.