2

De taxi

Ik zit op de achterbank, naast mijn moeder en mijn twee zussen. Ik zie de kwabben in de nek van de chauffeur. Hij draagt een pet. Mijn vader zit naast hem. We komen aan een kasteel met een grote vijver. Er zijn hokken met dieren, bomen, struiken.

Het is winter, koud. Ik heb een berenmuts op. Dikke wanten, ingeduffeld. Mijn zussen staan naast mij aan een hek. Er komen twee herten naar ons toe. We trekken wat bladeren van een nog groene struik en de herten steken hun neus door de tralies. We geven voorzichtig, als een hert wat wild uit onze hand eet trekken we terug. Er zijn grote vogelkooien. We blijven even staan kijken, maar er zitten geen vogels in. We lopen verder op kleine rotsen die als dakpannen over elkaar liggen. Ertussen stroomt water, hier en daar een kleine waterval. Ik buk me, doe mijn want uit en steek mijn hand onder het ijskoude water. Ook over het pad stroomt er wat water. Ik ga erin staan. Ik spring. Ik heb donkergroene gummilaarzen aan. Langzaam gaan we naar boven. Daar is het helemaal anders. Een bos. Allemaal rechte stammen met hoog boven ons groen. Er is geen zonlicht, er zijn geen struiken, het is er donker. Midden in het bos staat een gebouw. Afgebladderd, vuil en mossig. Binnen, op de grond, zijn er grote witte platen met een gat erin. Het ligt vol bladeren, vuilnis en wat zakdoeken.

We hollen de helling weer af, rond de vijver, over de brug, het kasteel in. In een grote hoge zaal, fel verlicht, zitten mijn ouders aan een tafel. Ze eten. Lachen. Praten met andere mensen. Ik loop wat rond. Door de ramen zie ik de vijver rond het kasteel. Ik ga terug naar buiten, naar de kooien. Misschien zit er nu wel een vogel. Op de parking staat de auto waarmee we kwamen. De man met de pet zit er nog in. De motor draait, ik zie het aan de uitlaat.

0

Subtotal