De Waterachtige Dood, tekst 2013

Op een dag probeerde ik een rivier over te steken.

Ik was op vakantie met mijn vrouw en een paar vrienden van mijn vrouw. Ja, ik was toen nog getrouwd, zo lang geleden is het al. We probeerden een rivier over te steken, een snelstromende bergrivier, een rivier die zich mettertijd doorheen de harde rotsen had gesneden zodat ze nu een diepe kerf in het landschap vormde. Het was een wandeling van meer dan een uur geweest om de steile rotsflank af te dalen tot beneden aan het water en eenmaal daar merkten we dat alle bruggen al jaren buiten gebruik waren. Overal stonden borden om op het gevaar van het snelstromende water te wijzen. Het was uitermate verboden of afgeraden om over te steken. Natuurlijk trokken we ons daar niets van aan en bij een waterval probeerden we via de rotsen, van waartussen het water naar beneden bulderde, de overkant te bereiken. Toen we op de eerste gekropen waren bleken de grote ronde rotsen te ver uit elkaar te staan en voorzichtig keerden we op onze stappen terug. Iets verder stroomopwaarts lag een koppeltje te zonnen op een klein kiezelstrandje en we besloten onze pogingen te staken en daar ook wat te liggen. Ik had mijn wandelschoenen nog aan toen ik aan de rand van de rivier op dat kiezelstrandje stond en ik naar het water keek. Rechts en links was de rivier zeer breed, maar recht voor me, de lengte van het strandje, was de rivier maar een paar meter breed. Ik keek achterom grappend naar mijn vrouw terwijl ik deed alsof ik het water inging. Ik zette een eerste stap in wat ik dacht ondiep water was zo vlak naast de oever.
Maar er was geen bodem.
Even ervoor nog had ik me bedacht dat je hier kon proberen oversteken. Stroomafwaarts, voor de rivier weer breed werd, maakte ze een kleine bocht naar rechts en aan de andere oever had er zich een klein kiezelstrandje gevormd. Er was een kans dat je in die bocht vanzelf zou aanspoelen als je je daar maar dicht genoeg bij de andere oever bevond.
Zodra ik doorhad dat ik in het water zou terechtkomen kreeg ik hetzelfde verlichte gevoel als die keer toen ik met de auto aan een frontale botsing ontsnapte door in een fraktie van een seconde te beslissen gas bij te geven in plaats van te remmen. Een transparant lucied gevoel van licht, of van macht, ik weet het nog steeds niet. Ik krabbelde niet terug maar integendeel deed onmiddellijk wat crawlslagen in de richting van de andere oever. Het ijskoude bergwater had me de adem afgesneden en de onmeetbare kracht van het water stuwde me voort als een projectiel doorheen de gladde ronde bergwand. Na de eerste crawslag al verloor ik alle controle en wist ik van niets meer. Ik zag of hoorde niets meer, geen boven, geen onder, geen links of rechts bestond nog. Er was enkel nog de kracht en de snelheid van het water. Na wat uren leken, in realiteit een paar seconden later, voelde ik hoe mijn schoenen hard tegen rotsen aanbotsten en met mijn voeten vooruit keien opzijduwend spoelde ik aan in de bocht zoals ik het gedacht had, net voor de verbreding van de rivier naar de waterval.
Zittend voorovergebogen en nog niet helemaal beseffend wat er gebeurd was keek ik achterom en in de verte stonden mijn vrouw en haar vrienden te roepen. Ik stond op en maakte een handgebaar alsof alles onder controle was. Maar toen ook zij aanstalten maakten om op dezelfde plaats over te steken gaf ik hun een teken van nee, niet doen.

Ik zat nu vast alleen op die andere oever.

Frédéric Castiau 2013